Een efficiënte overheid

Bedrijven en gezinnen hebben recht op een overheid die kwaliteit levert aan een scherpe prijs

 

Het vet van de soep

In tijden van een economische recessie en met belangrijke uitdagingen voor de overheidsfinanciën, zou het getuigen van een grote verantwoordelijkheidszin als de beleidsverantwoordelijken zich de vraag zouden stellen of de organisatie van ons overheidsapparaat afdoende efficiënt en effectief is? Het risico is immers reëel dat onze economie de uitgaven niet langer kan compenseren. Het is dus tijd om zuiniger en efficiënter aan het werk te gaan. Men kan moeilijk volhouden dat op een moment dat bedrijven en gezinnen het zuiniger aan moeten doen, de overheid hiervan vrijgesteld zou zijn. De bedrijven en burgers hebben recht op een efficiënte en kwalitatieve dienstverlening, en dat aan de laagste kost. Dit is niet alleen een uitdaging voor de Vlaamse overheid, ze geldt voor alle beleidsniveaus.
 

Kwaliteit kost geld

Daarom maakt bovenvermelde argumentatie uiteraard de vraag naar een ‘beter’ en ‘competitief’ loon voor de ambtenaar niet minder legitiem. Maar juist om die reden zou het een gemiste kans zijn om de sterke groei in het personeelsbestand van de overheid gedurende de voorbije jaren onafgewogen te laten.

Om deze problematiek in een juist kader te plaatsen, moeten uiteraard alle factoren die van invloed zijn op het totale plaatje van personeelskosten in rekening worden gebracht. Het zou bijvoorbeeld ook onjuist zijn om de zwarte piet door te spelen aan de lokale besturen, die slechts een beperkte bewegingsmarge krijgen in hun eigen personeelsbeleid, zelfs voor wat betreft hun personeelsbezetting. Het is duidelijk dat de Vlaamse en federale overheid hier aan het roer zitten.

Volgende elementen hebben niet alleen een impact op de totale kosten verbonden aan de overheid, ze zijn ook cruciaal in de herwaardering van het ambtenarenberoep : (1) het numerieke aantal ‘ambtenaren’ (in de lokale besturen maar ook in de Provincies, Gemeenschappen, Gewesten en federale overheidsdiensten), (2) de verscheidene statuten van het overheidspersoneel en (3) de afbakening van de overheidstaken.

 

(1) De naakte waarheid van de ‘cijfers’

In de totale overheidssector werken er 1.097.000 personeelsleden. Enkel voor de kernoverheid (back office en administraties) betekent het dat 4 op de 100 inwoners voor de overheid werkzaam is. De OESO becijferde dat het gaat om 18% van de beroepsactieve bevolking. Met deze cijfers komt België ruim boven het Europees gemiddelde (12%) uit. Bovendien blijkt het relatief aandeel in België nog te stijgen in tegenstelling tot de ons omliggende landen waar men duidelijk opteert voor een geleidelijke afbouw van het overheidsapparaat. De grootste stijging van het overheidspersoneel deed zich de laatste jaren voor in de Vlaamse lokale besturen. Vandaag werken er 190.500 mensen voor de Vlaamse lokale overheden. De stijging van het aantal ambtenaren geldt ook voor de gemeenschappen en gewesten. In zeven jaar is bijvoorbeeld het aantal Vlaamse ambtenaren gestegen van 38.000 naar 45.000. Deze groei was er vooral in de externe agentschappen. Uitschieters zijn hier o.a. De Lijn en de VDAB, met samen bijna 6.000 extra personeelsleden.

In ieder geval blijkt duidelijk dat een beleidsagenda die de verhoging van de efficiëntie van het overheidsapparaat beoogt, zijn vertaling moet vinden op alle beleidsniveaus. Een louter cijfermatige vergelijking met andere zegt uiteraard niet alles over het gewenst of correct aantal ambtenaren. Dit staat uiteraard in relatie met de gewenste effectiviteit en dienstverlening. De Vlaamse overheid moet op dat vlak trouwens de hand in eigen boezem durven steken, want de planlast die ze de lokale besturen oplegt is niet te overzien. Denk maar aan de talrijke beleidsplannen, de verplichtingen die voortvloeien uit de implementatie van het gemeentedecreet, enz. Bovendien moet ook onze complexe staatsstructuur en de overheidspolitiek van de jaren ’70 en’80 - waarbij overheidstewerkstelling een belangrijke peiler was in het tewerkstellingsbeleid – in overweging worden genomen.

Alle nuanceringen ten spijt we kunnen er niet omheen dat zowel de sterk toegenomen belastingsdruk als het dreigende begrotingstekort er ons toe nopen het numeriek aantal medewerkers in vraag te stellen. Alleen al via natuurlijke afvloeiingen kan tussen dit en een aantal jaren een enorme besparing worden gerealiseerd. Volgens bepaalde berekeningen zou dit een besparing tot 10 miljard € kunnen opleveren.

 

(2) Statuten en regeltjes

Een tweede belangrijke factor die van invloed is op de financiële ruimte van de besturen, en op die van de loonmassa in de overheid in het algemeen, heeft te maken met het statuut van de ambtenaren.

Vast benoemde ambtenaren zijn ‘in theorie’ nog steeds de regel. In de praktijk stellen we vast dat dit statuut ‘rigide’ is voor de overheid als werkgever. Wanneer iedereen de mond vol heeft over de nood aan een performante overheid die zich kan meten aan het gedachtegoed van het “new public management”, die steeds meer verantwoording verschuldigd is en die alles in het werk moet stellen om haar legitimiteit te behouden, moeten wij dan niet besluiten dat het statuut in dergelijke context niet langer past? Desondanks stellen heel wat besturen, ook de Vlaamse, gewone contractanten te werk. Daar wordt vaak voor geopteerd, onder het mom dat dit systeem niet alleen flexibeler maar bovendien goedkoper is. Zoveel jaren is deze vorm van tewerkstelling echter zo ingeburgerd, dat de overheden het niet kunnen maken om de ongelijkheid op het vlak van verloning te laten bestaan. Om het onderscheid tussen vastbenoemde ambtenaren en contractanten weg te werken, moet voor die laatste categorie nu dringend werk gemaakt worden van de uitbouw van de tweede pensioenpijler.

Sommige lokale besturen behouden het gescostelsel voor aan degenen die inderdaad tot de vermeende doelgroep behoren en stellen deze personen tewerk in veeleer ongeschoolde jobs. Anderen maken met graagte gebruik van de geboden mogelijkheden (lees: financiering) en zetten de gesubsidieerde contractanten in op zogeheten kerntaken. Wat ze allemaal gemeen hebben, is dat het verloop binnen de groep van de gesco’s vrijwel nihil is, zodat men zich toch ernstige vragen kan stellen bij de finaliteit van dit werkgelegenheidsprogramma.

Omdat het gescosysteem financieel heel aantrekkelijk is voor lokale besturen, wordt er rijkelijk gebruik van gemaakt. Daarbij wordt veel te weinig in rekening gebracht dat de subsidiebedrag voor de gescocontracten niet evenredig stijgt met de werkelijke personeelskosten. De Vlaamse overheid mag haar verantwoordelijkheid daarin niet ontlopen, ze moet het werkgelegenheidbeleid daartoe grondig herzien. Onmiddellijk staat tussen dergelijke droom en de daad het praktische federale bezwaar dat de tewerkstelling van een gesubsidieerde contractueel gepaard gaat met een – federaal geregelde – vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid.

 

(3) Last but not least, de afbakening van de overheidstaken.

Beter met minder

Het Vlaamse bestuurlijke landschap is zeer complex. Er is een veelheid aan bestuursniveaus, elk met hun eigen administratie. Daarnaast is er ook nog een kluwen van adviesorganen actief. De OESO bekritiseerde België recent omdat het met al zijn verschillende bestuursniveaus er niet in slaagt de totale kwaliteit van de overheid op een goed niveau te brengen. Tegelijk zijn ook teveel administraties en organisaties met dezelfde of gelijkaardige taken belast.

De voorbeelden in de Vrije Tijd sector ken ik zelf het beste: Vlaanderen vraagt van de lokale besturen dat zij een beleidsplan opmaken: voor Cultuur, Jeugd en Sport. Echter ook de Provincie laat zich met dezelfde materie in. Tenslotte is er de Vlaamse administratie die moet waken over de uitvoering van al deze beleidsplannen. De studiedienst van Open VLD becijferde dat 28 raden, 56 administraties en instellingen en 450 “decision-makers” mee het economisch beleid bepalen. Conclusie: weinig transparant en efficiënt en behoorlijk kostelijk. Verder is duidelijk dat het beleid op die manier totaal versnipperd zit over teveel bestuurslagen, teveel administraties en teveel adviesorganen.

Lokale autonomie versterken

Het huidige bestuurslandschap houdt ook onvoldoende rekening met het subsidiariteitsbeginsel. Talrijke onderzoeken tonen aan dat de lokale besturen het dichtst bij de burger staan. Het is dan ook duidelijk dat de lokale besturen het vertrekpunt moeten worden voor deze interne “Vlaamse staatshervorming”. Men moet niet aan een hoger bestuursniveau geven wat een lager bestuursniveau even goed of zelfs nog beter kan. Het spreekt voor zich dat daar de nodige financiële middelen moeten tegenover staan. Wel is belangrijk dat een performant systeem wordt uitgewerkt om de effectiviteit van het beleid te meten. Dat is dan wel weer een taak voor de Vlaamse overheid.

Vele kleinere gemeenten, waarvan Lennik één is, kreunen onder de taaklast die zij op zich moeten nemen. De administratieve planlast en de dienstverlening van een kleine gemeente is immers niet noodzakelijk veel kleiner dan deze van een grote. Verder is de omvang van sommige gemeenten zo beperkt dat er enkel nog sprake is van schaalnadelen in plaats van schaalvoordelen. Een extra argument om de planlast af te bouwen.

 

 

 

 

 

Irina op het web

Volg Irina op Facebook en op Twitter

 

Irina tweet

  • Zo meteen interview bij Peeters en Pichal naar aanleiding van maximumfactuur in het onderwijs. Spannend! 6 dagen 59 min ago
  • Mobiliteitsnetwerk Brussel-Brabant krijgt weerklank in de formatiegesprekken — lees op http://tinyurl.com/2ur3fur — #openvld #mobiliteit #fb 1 week 1 dag ago
  • Maximumfactuur basisonderwijs ondermijnt ontwikkelingskansen kinderen — lees op http://tinyurl.com/2abtgfj — #openvld #maximumfactuur #fb 1 week 3 dagen ago
  • is op zoek naar feedback over webstek KlasCement.net. Zijn er leerkrachten op Twitter? 4 weken 4 dagen ago
  • Spijbelen blijft stijgen ondanks drie jaar spijbelactieplan. Huiswerk voor minister Smet. http://bit.ly/aZZERz via @addthis 5 weken 2 dagen ago