Donderdag 2 juli legden ongeveer 7.000 studenten het ingangsexamen geneeskunde af. Duizenden jongeren willen zich inzetten voor een toekomst in de zorg. Dat is goed nieuws, want de nood aan artsen wordt alleen maar groter.
Onze bevolking veroudert, de zorgvraag stijgt en steeds meer patiënten voelen vandaag al hoe moeilijk het wordt om een huisarts te vinden. Praktijken nemen geen nieuwe patiënten meer aan, wachttijden lopen op en ook spoeddiensten krijgen steeds meer patiënten over de vloer die elders niet tijdig geholpen raken.
In de plenaire vergadering heb ik minister Vandenbroucke daarom bevraagd over de federale artsenquota.
Meer studenten, maar niet genoeg RIZIV-nummers
Vlaanderen laat dit jaar bijna 1.900 studenten starten aan de opleiding geneeskunde. Dat gebeurt niet zomaar. De Vlaamse overheid doet dat omdat de noden in de zorg toenemen en omdat er de komende jaren veel extra artsen nodig zullen zijn.
Maar op federaal niveau blijft de instroom naar de praktijk beperkt via het aantal RIZIV-nummers. Zonder zo’n nummer kan een arts geen prestaties aanrekenen binnen de ziekteverzekering en dus in de praktijk niet volwaardig aan de slag als arts in ons zorgsysteem.
Vandaag houdt de federale planningscommissie vast aan ongeveer 1.427 RIZIV-nummers vanaf 2034. Dat dreigt een groot probleem te worden. Want als Vlaanderen meer studenten opleidt, maar federaal onvoldoende toegang tot de praktijk voorziet, dan dreigen we jongeren op te leiden zonder voldoende perspectief en blijven patiënten tegelijk met tekorten zitten.
Dat is moeilijk uit te leggen aan de duizenden studenten die donderdag het ingangsexamen aflegden. Maar het is vooral moeilijk uit te leggen aan de patiënt die vandaag geen huisarts vindt.
De tekorten zijn vandaag al zichtbaar
Het artsentekort is geen theoretisch probleem voor later. Het is vandaag al voelbaar.
Steeds meer mensen vinden moeilijk een huisarts. In sommige regio’s nemen praktijken geen nieuwe patiënten meer aan. De druk op huisartsen die wel actief zijn, neemt steeds verder toe. Tegelijk zijn ongeveer een derde van de huisartsen vandaag ouder dan 60 jaar. De komende jaren dreigt dus een grote uitstroom, net op het moment dat de zorgvraag stijgt.
Ook in andere domeinen is de planning onvoldoende afgestemd op de realiteit. Bij algemene tandartsen zijn de tekorten vandaag al duidelijk voelbaar, terwijl er in bepaalde specialistische disciplines eerder sprake is van een slechte afstemming tussen opleiding, noden en beschikbare arbeidsplaatsen.
Dat toont aan dat het huidige systeem zijn doel niet bereikt.
Planning mag geen louter wiskundige oefening zijn
Het oorspronkelijke doel van de artsenquota was begrijpelijk: het medisch aanbod plannen, de kwaliteit bewaken en de gezondheidsuitgaven onder controle houden.
Maar de realiteit van vandaag is anders. Een systeem dat vooral vertrekt van modellen en quota, maar onvoldoende rekening houdt met wat patiënten, artsen en regio’s op het terrein ervaren, schiet tekort.
Ook experten wijzen erop dat de huidige planning te weinig rekening houdt met de praktijk. Een puur wiskundige prognose volstaat niet om te bepalen hoeveel artsen we nodig hebben. Je moet ook kijken naar de vergrijzing, de stijgende zorgvraag, regionale tekorten, deeltijds werken, administratieve druk, de organisatie van de eerste lijn en de evolutie van de medische praktijk.
Als die elementen onvoldoende worden meegenomen, dreigt de planning achter de feiten aan te lopen.
Zonder voldoende artsen komt de hele zorg onder druk
De discussie over artsenquota gaat niet alleen over studenten geneeskunde. Ze gaat over de toegankelijkheid van onze gezondheidszorg.
Hoe kunnen we het huisartsentekort aanpakken als we tegelijk de instroom van artsen blijven beperken? Hoe kunnen we wachtlijsten wegwerken als er onvoldoende zorgverleners zijn? Hoe kunnen we een ziekenhuishervorming doen slagen als de eerste lijn al onder druk staat? En hoe kunnen we patiënten tijdig helpen als artsen steeds meer administratie krijgen en minder tijd hebben voor zorg?
Wie de zorg toegankelijk wil houden, moet ook zorgen voor voldoende artsen in de praktijk.
Dat betekent niet dat planning overbodig is. Integendeel. Maar planning moet vertrekken vanuit de reële noden van patiënten en zorgverleners, niet vanuit een systeem dat tekorten onvoldoende voorkomt.
Herstel het vertrouwen in artsen en studenten
Voor mij is de conclusie duidelijk: de federale planning moet worden bijgestuurd.
We hebben meer vertrouwen nodig in studenten die voor een zorgberoep kiezen. We hebben meer vertrouwen nodig in artsen die vandaag onder grote druk werken. En we hebben een beleid nodig dat artsen correct ondersteunt, correct verloont en hen toelaat om hun werk goed te doen.
De overheid moet stoppen met een beleid dat de indruk wekt dat zorgverleners vooral een kost zijn die moet worden beperkt. Artsen zijn net een essentieel deel van de oplossing.
Als we willen vermijden dat het zorgsysteem vastloopt, moeten we vandaag durven hervormen. Meer artsen toelaten in de praktijk, de eerste lijn beter organiseren, administratieve ballast verminderen en de planning beter afstemmen op de realiteit.
De jongeren die donderdag het ingangsexamen aflegden, willen mee bouwen aan de zorg van morgen. Dan moet de federale overheid er ook voor zorgen dat zij later effectief aan de slag kunnen waar patiënten hen nodig hebben.








