Vorige week stelde ik in de Kamer opnieuw een vraag aan minister Vandenbroucke over de schrapping van de verplichte praktijkstage voor klinisch psychologen.
Die stage was net bedoeld om jonge psychologen goed voor te bereiden op de praktijk en zo de kwaliteit van de zorg te garanderen. Die verplichting wordt afgeschaft en vervangen door een systeem van supervisie, intervisie en permanente vorming.
Voor mij is dat een verkeerde keuze.
Minister verwijst naar tekort aan stageplaatsen
De minister verdedigt zijn beslissing door te wijzen op het tekort aan stagemeesters en stageplaatsen. Volgens hem maakt dat het systeem moeilijk uitvoerbaar en vertraagt het de instroom van nieuwe psychologen op de arbeidsmarkt.
Hij schuift daarom een alternatief naar voren dat flexibeler zou zijn en beter zou aansluiten bij het werkveld.
Probleem wordt niet opgelost, maar omzeild
Die redenering gaat voor mij niet op.
Het tekort aan stageplaatsen is geen nieuw probleem, maar het gevolg van jarenlang uitstel en onvoldoende ondersteuning van het systeem. Door de stage af te schaffen, wordt dat probleem niet opgelost, maar gewoon vermeden.
Een structurele aanpak, in samenwerking met het werkveld, had hier wél een antwoord kunnen bieden.
Onzeker alternatief
Het voorgestelde alternatief blijft bovendien vaag. Hoe het concreet zal worden georganiseerd, wie het zal opvolgen en hoe de kwaliteit zal worden gegarandeerd, is vandaag onvoldoende duidelijk.
Dat maakt het moeilijk om te spreken van een volwaardig alternatief voor echte praktijkervaring.
Praktijkervaring blijft essentieel
Net in de geestelijke gezondheidszorg is praktijkervaring cruciaal. Tijdens de opleiding is er onvoldoende ruimte om die ervaring op een intensieve manier op te doen.
De stage vormde daarom een belangrijke schakel tussen opleiding en praktijk. Door die weg te nemen, verzwakken we een essentieel onderdeel van de kwaliteitsbewaking.
Ons standpunt blijft duidelijk
Daarom heb ik eerder amendementen ingediend om de stage te behouden.
Voor mij blijft het uitgangspunt eenvoudig: we moeten investeren in kwaliteit en in een sterke voorbereiding van zorgverleners. Niet kiezen voor oplossingen die vooral op korte termijn een probleem lijken te verlichten, maar op lange termijn risico’s creëren.
Het gaat hier uiteindelijk over de zorg voor patiënten. En die moet altijd centraal staan.








