Hoe we wonen en zorg organiseren, verandert.
Mensen met een handicap wonen steeds vaker zelfstandig met ondersteuning. Ouderen kiezen voor cohousing of andere kleinschalige woonvormen. Ook mensen met een psychische kwetsbaarheid kunnen na hun behandeling zelfstandig samenwonen en begeleiding krijgen.
Dat zijn ontwikkelingen die we moeten toejuichen. Ze geven mensen meer autonomie en maken het mogelijk om zorg te organiseren rond het leven van de persoon, in plaats van omgekeerd.
Alleen zijn onze federale terugbetalingsregels voor kinesitherapie en thuisverpleging onvoldoende meegeëvolueerd.
Het gevolg? Zorgverleners weten soms niet welke prestaties ze mogen aanrekenen en riskeren jaren later grote bedragen te moeten terugbetalen.
Is dit een thuis of een voorziening?
Daar draait het probleem eigenlijk om.
Wanneer een kinesitherapeut of thuisverpleegkundige bij een patiënt thuis zorg verleent, gelden bepaalde nomenclatuurregels en tarieven.
Voor zorg in een erkende voorziening bestaan andere regels.
Vroeger was het onderscheid relatief eenvoudig. Iemand woonde thuis of verbleef bijvoorbeeld in een klassieke voorziening.
Vandaag bestaan er allerlei tussenvormen.
Denk aan verschillende mensen met een handicap die elk een eigen woonruimte hebben binnen hetzelfde gebouw, ouderen die samen aan cohousing doen of mensen die begeleid zelfstandig wonen.
De patiënt woont zelfstandig
Voor mensen met een handicap is die evolutie sterk verbonden met de persoonsvolgende financiering.
Mensen kunnen daardoor zelf beslissen hoe ze hun ondersteuning organiseren. In plaats van in een klassieke voorziening te verblijven, kunnen ze bijvoorbeeld zelfstandig wonen en ondersteuning inkopen.
Voor verpleegkundige zorg of kinesitherapie doen ze vervolgens een beroep op de gewone gezondheidszorg.
Maar omdat verschillende mensen op dezelfde locatie wonen, kan discussie ontstaan over de vraag of die locatie nog als hun thuis moet worden beschouwd of als een voorziening.
Zorgverleners krijgen achteraf de rekening
Die onduidelijkheid is allesbehalve theoretisch.
Een syntheserapport van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV stelde vast dat 27.551 kinesitherapieprestaties volgens de controle met verkeerde nomenclatuurnummers waren gefactureerd.
Het ging om 24 kinesitherapeuten die in 14 verschillende woonvormen zorg verleenden aan 217 patiënten.
In totaal werd 274.346,79 euro teruggevorderd. Voor individuele kinesitherapeuten liepen de bedragen uiteen van iets meer dan 5.000 tot ruim 34.000 euro.
Zelfs het RIZIV heeft geen volledige lijst
Wat deze situatie extra wrang maakt, is dat zorgverleners zelf niet altijd kunnen controleren hoe een woonvorm officieel wordt beschouwd.
In het voorstel wordt aangehaald dat het RIZIV zelf erkende niet over een exhaustieve lijst te beschikken waarmee verpleegkundigen en kinesitherapeuten kunnen nagaan of een locatie als voorziening wordt beschouwd.
We kunnen moeilijk van een zorgverlener verwachten dat die perfect weet welke code hij moet gebruiken wanneer de overheid zelf geen sluitend overzicht kan geven.
Maak de regel eenvoudig
Daarom kiezen we voor een veel duidelijker uitgangspunt.
Wanneer zorg wordt verleend in een woonvorm die door de bevoegde overheid niet als voorziening is erkend of vergund, moet die voor kinesitherapie en thuisverpleging worden beschouwd als zorg bij de patiënt thuis.
Dat sluit veel beter aan bij de realiteit.
Mensen die samenwonen, verliezen immers niet automatisch het recht om hun eigen woning als hun thuis te beschouwen.
Bescherm wie te goeder trouw handelde
Daarnaast willen we een oplossing voor zorgverleners die in het verleden slachtoffer zijn geworden van die onduidelijkheid.
Wanneer een kinesitherapeut of thuisverpleegkundige te goeder trouw zorg als een thuisprestatie heeft aangerekend in een woonvorm die geen erkende voorziening was, vragen we om de betwiste terugvorderingen te laten vallen.
Ook wanneer een woonvorm later wordt gesloten omdat ze achteraf als een niet-erkend woonzorgcentrum wordt beschouwd, mogen prestaties die voordien te goeder trouw werden geleverd niet plots met terugwerkende kracht fout worden verklaard.
Zorg moet nieuwe manieren van wonen volgen
De samenleving verandert sneller dan onze regelgeving.
Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang de overheid bereid is haar regels aan die nieuwe realiteit aan te passen.
Mensen moeten de vrijheid hebben om zelfstandig of samen met anderen te wonen en hun zorg zelf te organiseren. Zorgverleners die hen daarbij helpen, verdienen duidelijke regels en rechtszekerheid.
We mogen innovatieve woonvormen niet ontmoedigen omdat onze nomenclatuur nog vertrekt van een wereld waarin er alleen "thuis" en "de voorziening" bestonden.
Nieuwe manieren van wonen vragen regels die met hun tijd meegaan.








