België telt vandaag meer dan 500.000 langdurig zieken. De jaarlijkse kost is ondertussen opgelopen tot ongeveer 11 miljard euro. Ondanks zes jaar beleid onder minister Frank Vandenbroucke blijft een structurele kentering uit.
Dat langdurig zieken opnieuw perspectief moeten krijgen op werk, staat voor mij buiten discussie. Werk betekent niet alleen inkomen, maar ook structuur, sociale contacten en opnieuw vooruit kunnen kijken. Wie mensen met arbeidspotentieel jarenlang langs de zijlijn laat staan, helpt hen niet vooruit. Uit cijfers van IDEWE blijkt bovendien dat 80% van de langdurig zieken opnieuw aan de slag wil.
De vraag is dus niet of mensen opnieuw willen werken, maar waarom het beleid er niet in slaagt hen effectief te activeren.
Factuur verschuift naar ondernemingen
In plaats van het systeem grondig te hervormen, kiest de regering opnieuw voor een andere reflex: de rekening doorschuiven naar ondernemingen.
Bedrijven krijgen steeds meer verplichtingen opgelegd en moeten ook financieel mee opdraaien voor langdurige ziekte. Zo moeten ondernemingen vandaag 30% van de ziekte-uitkering betalen tijdens de tweede en derde maand van arbeidsongeschiktheid via een zogenaamde solidariteitsbijdrage.
Voor mij heeft dit weinig met solidariteit te maken. Het is in de praktijk vooral een verhoging van de loonkosten.
Het systeem gaat zelfs zo ver dat ondernemingen financieel geraakt kunnen worden wanneer een werknemer langdurig uitvalt na een ongeval buiten het werk, bijvoorbeeld bij een sportongeval in het weekend. Dat betekent dat bedrijven mee betalen voor situaties waar ze zelf geen enkele invloed op hebben.
Voor veel ondernemers is dat moeilijk te begrijpen.
Ondernemers als partner
De realiteit is dat ondernemers elke dag investeren, risico nemen en jobs creëren. In een van de zwaarst belaste economieën van Europa proberen zij hun bedrijf draaiende te houden en tegelijk hun werknemers perspectief te bieden.
Bedrijven hebben er alle belang bij dat werknemers opnieuw aan het werk kunnen. Niet alleen om economische redenen, maar ook omdat langdurige uitval voor niemand goed is.
Toch worden ondernemingen in het huidige debat te vaak voorgesteld als de partij die moet betalen wanneer het systeem onder druk staat.
Een systeem dat beter moet werken
Het probleem zit niet alleen in de financiering, maar ook in de organisatie van het systeem.
Vandaag is de aanpak van langdurige ziekte te versnipperd. Er zijn verschillende actoren betrokken, maar vaak ontbreekt duidelijke coördinatie en verantwoordelijkheid. Daardoor blijven mensen soms jarenlang in het systeem zonder een duidelijk traject richting werk.
Daarom pleit ik voor een andere aanpak.
De arbeidsarts moet een centrale rol krijgen in de re-integratie. Die kent de werkvloer en kan het best inschatten welke mogelijkheden iemand nog heeft en hoe aangepast werk georganiseerd kan worden.
Na enkele weken moet er een duidelijk re-integratieplan komen. Wanneer terugkeer naar de oorspronkelijke job niet mogelijk is, moet er ook sneller gekeken worden naar andere mogelijkheden op de arbeidsmarkt.
Daarnaast zijn objectieve en onafhankelijke controles nodig. Wie echt niet kan werken, verdient bescherming en rust. Maar wie nog mogelijkheden heeft, moet ook aangemoedigd worden om opnieuw stappen richting werk te zetten.
Hervormen in plaats van doorschuiven
De re-integratie van langdurig zieken is een van de grootste sociale uitdagingen van de komende jaren.
Maar een beleid dat vooral nieuwe facturen richting ondernemingen stuurt, zal het aantal langdurig zieken niet doen dalen. Integendeel: het ondergraaft het vertrouwen van bedrijven die nochtans een cruciale rol spelen in een succesvolle terugkeer naar werk.
Wie langdurig zieken echt opnieuw perspectief wil geven, moet het systeem hervormen waar het fout loopt, niet telkens opnieuw ondernemingen naar voren schuiven wanneer de rekening van een falend beleid moet worden betaald.








